Twee jaar geleden begroeven wij mijn grootvader op hoogbejaarde leeftijd. Grootvader, maar ook naamgenoot en naamgever van mijn zonen. Misschien bovenal ook wel een vriend voor de drie generaties die hij zag opgroeien.

We zullen hem niet vergeten. Vriendelijk, zachtmoedig en geheel op eigen wijze wijs. Mopjes, wijsjes, liedjes, kleine poëzie; hij laat veel goede herinneringen na. Van een altijd blauwe zomerdag, van klompen en bruine ribfluwelen jasjes. Van een imkerpak, van honing en de perenboom. Van zuring, bieslook en worteltjes bij de buitenkraan en aangestampte aarde in houten schuurtjes. Van onwrikbaar vertrouwen als kind op zijn schoot en van kinderhanden in de oude zijne.

Het houdt mij bezig hoe door generaties heen persoonlijkheden, hebbelijkheden en onhebbelijkheden kunnen doorwerken. Door genenoverdracht maar ook door de omgeving waarin we opgroeien. En eigenlijk nog meer in hoeverre dit bijdraagt aan onze onbewuste gedragspatronen en identiteit. Wanneer we in de literatuur (Tiggelaar, B., Dromen, durven, doen, Spectrum, Utrecht, 2006) lezen dat slechts 5% van ons gedrag werkelijk gekozen en beïnvloedbaar is, dan geeft dit stof tot nadenken.

Hoe zou dit eigenlijk zitten met de kerk? En onze eigen gemeente? Hoe zou onze kerkelijke identiteit gevormd zijn door de generaties heen? En hoe zit het met ons Godsbeeld; kunnen we dat eigenlijk wel zelf bepalen of is dit al gevormd?

Ik weet het eigenlijk niet zo goed. Ik ben er wel van overtuigd dat God betrokken was door de generaties heen met die 95%. En ik hoop dat God met die 5% die wij kunnen en willen beïnvloeden dusdanig aan het werk kan, dat we een immateriële erfenis kunnen achterlaten in de kerk en in deze wereld. Een erfenis zoals mijn grootvader die naliet. Voor de generaties die komen gaan.

Berend