In mijn buik zit Onvrede. Een klein mager mannetje met wallen onder zijn ogen, vermoeidheid in zijn lijf en in zijn handen scherpe messen die hij van tijd tot tijd in mijn ingewanden zet.

In mijn hoofd zit Controle. Een bedaard, beheerst ventje. Een directeurt je, vind ik. Hij zit vermoedelijk ergens in mijn linkerhersenhelft. Achter een groot bureau, stel ik mij voor, met veel telefoontoestellen en beeldschermen. Hij is ook wel moe, maar nooit stuurloos, nooit in paniek. Hij voorkomt dat ik in gezelschap met het servies ga gooien of mijn gastheer beledig of dat ik midden in de supermarkt ga huilen of dat ik met niemand meer praat en dat de eenzaamheid en de somberheid van mijn gezicht zijn af te lezen. Nuttig werk; zonder hem zou ik ontoonbaar zijn. Niettemin mag ik hem niet.

Tussen Controle en Onvrede botert het evenmin. Onvrede snijdt met zijn messen in mijn verleden en maakt daar pijn en geheimen van. Controle doet al die uitgesneden stukken mooie jasjes aan. “Facade,” zegt Onvrede, minachtend. “Persoonlijkheid,” zegt Controle met samengeknepen lippen.

Controle verslaat Onvrede nooit helemaal.  Soms wint hij een conflict, maar dan verliest hij gegarandeerd een ander. Ongecontroleerde huilbuien houdt hij bijvoorbeeld goed in de hand, maar daar staan dan onverwachte driftaanvallen tegenover. Of zenuwtrekken bij mijn linkeroog. Of onverklaarbare hoofdpijn. Soms lijkt alles onder controle, maar wie goed kijkt, ziet de strakke lijnen in min gezicht.

In mijn ziel (een landelijk gelegen sluipweg tussen mijn buik en mijn hoofd) zit Schreeuw. Die wordt verschrikkelijk onrustig van al dat heen-en-weer-geruzie tussen Controle en Onvrede. Hij is niet goed in compromissen en soms geneigd om aan de drang van Onvrede toe te geven en Controle definitief het zwijgen op te leggen. Maar tegelijkertijd is hij bang voor de duistere krachten die hij daarmee zou ontketenen. Hij ziet de waanzin van de één. Hij ziet de leugen van de ander.
En Hij doet wat hij moet doen: schreeuwen.

L. Slot.

Lees hier de vorige columns.