Ik zit in de trein. Bijna alle stoelen zijn bezet. Er hang een individuele stilte in de lucht. Mijn gedachten nemen me mee…

Als ik nog een halte of drie te gaan heb, rijden we een druk station binnen, heel druk! Op het perron staan over de hele rand de kinderen van een basisschool. De kinderen zien er uitgelaten uit, en aan de bewegende handen en wiebelende lijven te zien, hebben ze veel zin in hun treinrit.
In de coupé is het stil. Ik vergelijk wat ik buiten zie met wat ik binnen ervaar. Dan gniffel ik. Dat wordt bijzonder…

De trein stopt en de deuren gaan open, enkele passagiers stappen uit. Dan stormen de eerste kinderen naar binnen, naarstig op zoek naar een plek. Er wordt gelachen, geroepen, geduwd, gegild, gegiecheld, gepraat … “Doorlopen!”, roept een begeleider. De schoolkinderen kunnen niet zitten en vullen de gangpaden van de Sprinter helemaal op.  Het geluid van de kinderen is oorverdovend. Een vrouw tegenover me, doet een vinger in haar oor. Ik kan de grijns niet meer van mijn gezicht poetsen. Wat een overgang, van zwijgende stilte naar oorverdovend kinder-gekwetter! Als de trein in beweging komt, stijgt er een overweldigend geschreeuw op van kinderen die achterover dreigen te vallen terwijl ze zich vanuit de gang paden vastgrijpen aan de passagierstoelen. Wauw, wat een overgang!

Geamuseerd bekijk ik de gezichten van mijn medepassagiers – of ze grijnzen of ze chagrijnen. Een tussen-reactie zie ik niet.

Ach, ik denk als je het van bovenaf zou bekijken, de situatie weinig voorstelt. Maar als jer er midden in zit, kan zo’n onverwachte wending je helemaal van je stuk brengen.

Het beste kun je maar gewoon je eindstation in gedachten houden en blijven zitten.
Enne… haal die vinger uit je oor.

Astrid