Als ik op zondagmorgen naar Pand 9 toe fiets, zie ik ze regelmatig zitten. Vissers, hele kuddes vissers bij de vijver van Parkeiland. Het is meestal een vredige aanblik. Om de zoveel meter staat er zo’n stoeltje, soms met een flinke paraplu erbij, een paar emmers, een viskoffer en nog meer stellages waar ik geen verstand van heb. En op iedere plek zie ik hetzelfde. Een man – ik ken een paar vissende vrouwen maar die zitten daar niet – die voor zich uit naar zijn dobber zit te staren. Geen drukte, geen reuring. Gewoon, rust. Het maakt me soms een beetje jaloers. Ik zou alleen voor die rust al gaan vissen. Zonder haakje, gewoon doen alsof en intussen een boek lezen ofzo.

boy 909552 1280

Maar toen ik er laatst weer een keer langs kwam, moest ik ineens aan die andere visser denken, aan Petrus. Petrus die normaliter netten vol met van die kanjers vangt, maar die van Jezus een hengel uit moest gooien toen hij geld voor de tempelbelasting nodig had. Op ‘Eerst dit’ was daar overigens een prachtige uitleg bij. Maar daar ging het nu niet om. Nee, ik moest denken aan het vissen van mensen. Ken je dat? Dat je denkt: dat vissen van mensen is niet voor mij, ik ben niet zo’n grote spreker die hele volksstammen tot inkeer brengt. Maar dat is het mooie van vissen. Het kán zoals Petrus het gewend is: grote netten en een flinke vangst binnenhalen. Je kunt ook met een sleepnet aan de gang gaan en wel zien wat erin zit. Maar je kunt ook heel bewust je hengel uitgooien. En geduld hebben. De goede plek, de goede omstandigheden. En dan wachten tot je beet hebt.

 

Soms is het visser van mensen zijn niets meer dan dat. Jij en je collega. Jij en je familielid dat je al heel je leven kent, maar die de Heer nog niet kent. Jij en je buren. God weet dat niet iedereen een visser op een enorme boot is. Daarom heeft hij hengels bedacht. Hoe mooi is dat? Misschien moet ik toch maar eens een lijntje uitwerpen…

 Viola