Een paar weken geleden was er het groep 7/8 kamp: heel gezellig kamperen op het terrein van een van onze gemeenteleden. Wij hebben als gezin nog nooit gekampeerd. Sterker nog, de laatste keer dat ik gekampeerd heb was nog voor dat ik trouwde, dus dat is al meer dan 12 jaar geleden.

In poezenjaren moet ze minstens de 100 jaar zijn gepasseerd. Na een lang en mooi leven, waarvan de laatste jaren wat kwakkelend en met toenemende kwalen, hebben we haar laten inslapen. Mijn zoons hebben haar een waardige begrafenis in de tuin gegeven compleet met kruis, bloemen en foto’s. Nu zal u misschien zeggen: het is maar een poes, maar als zo’n beestje al 17 jaar rond je huis en door je leven loopt is het toch wel even wennen dat ze niet bij de tuindeuren staat te drammen om eten elke ochtend. Of dat ze ’s avonds bij de borrel niet meer loopt te bedelen om een stukje worst.

Nee, ik bedoel niet van die nachtelijke dromen die ver van de werkelijkheid staan, of nachtmerries. Ook geen dagdromen, dat zijn van die momenten dat er werkelijk niets uit je handen komt en waar je ook helemaal niets mee kunt. Nee ik bedoel èchte dromen.

Momenteel lees ik een verfrissend origineel boek van Nadia Bolz Weber met de titel: Accidental saints. Of ook wel: Finding God in all the wrong people. Het boek samengevat: je kunt eigenlijk het beste zicht krijgen op een glimp van God door ontmoetingen met ogenschijnlijk de minst voor de hand liggende mensen.

We hebben een voor- en achtertuin. Wat ons betreft alles bij elkaar te groot. De achtertuin geeft ons genoeg werk. De voortuin hing er een beetje zielig bij. We besloten daarom dat deel zoveel mogelijk onderhoudsvrij te maken. Het toch al min of meer verwilderde groen ging er uit. Maar wat nu?

En toen was het zo ver… de flesjes waren leeg. Ze stonden nog nostalgisch in het badkamerkastje. Normaal gesproken grijp ik mijn kans als de vraag komt: “heb je nog cadeauwensen?”. Dit keer had ik jammerlijk gefaald en was ik te laat.

Zes kamers, een zolder en schuur; ons huis. Ooit bewoond door zes personen. Nu zijn we nog samen, mijn vrouw en ik. Opruimen dus. Spullen naar de kringloop en de rommelmarkt. En weggooien. Héél veel weggooien. Zelf ben ik nogal van het hup-weg-ermee-type. Mijn vrouw is meer van het-zou-nog-wel-eens-goed-van-pas-kunnen-komen-type. Anders dan de frivole titel van deze column doet vermoeden, is het dan toch een hele uitdaging zo’n opruiming. Van de hela-hola-hoeperdepoep-sfeer was al gauw niet veel meer over.