Op het moment dat ik deze column tik, vlieg ik boven Europa. Op het flight tracking scherm volg ik de route van de vlucht die ik inmiddels kan dromen. Eerst over Oost Europa, richting de Zwarte Zee, over Turkije dan verder naar het zuidoosten. Naast me ligt een boekje wat ik momenteel aan het lezen ben over het leven van Paulus, geschreven door Karen Armstrong.

Het is donderdag 5 mei, Hemelvaartsdag. Terwijl de meeste mensen nog uitslapen of aan het ontbijt zitten, heb ik maar eens besloten om al vroeg een stevige wandeling te maken. Lekker een uurtje de polder in.

Een poosje terug moest ik door de medische molen. Voordat u, begaan met mijn lot, niet verder kunt lezen; er bleek geen aanleiding tot enige zorg. Een fietsproef bracht wel mijn beperkte conditie pijnlijk aan het licht. De dienstdoende verpleegster voerde ondanks mijn rood aanlopende gezicht de weerstand van de fiets meedogenloos op. Ik piepte en steunde  verontschuldigend dat ik wat aan mijn conditie zou moeten doen. “Ja dat zeggen ze allemaal zodra ze op die fiets zitten,” reageerde de vermoeide verpleegster een beetje venijnig. 

Het vluchtelingen ”probleem” laat zien hoe  een Europese Unie functioneert, of eigenlijk niet. Niet alleen Europa heeft er problemen mee, ook de Nederlandse politiek is verdeeld. De èèn kijkt weg, de ander overdrijft.

Ik loop op de dijk en kijk uit over een woest stuk uiterwaarde. Het ziet er prachtig uit; mooie bomen, hoog gras, pony’s, een tractorband zonder bestemming, een kruiwagen rustend tegen een boom en besmeurde emmers, wachtend op hun volgende klus. Terwijl ik wandel gaat het landschap als een film aan me voorbij. De volgende scene maakt dat ik even stilsta.

Ik ben niet zo’n beste slaper. Vaak kan ik of niet in slaap komen of wordt ik ’s nachts wakker en kan ik de slaap niet meer vatten. Mijn gedachten gaan malen en het brein gaat ongevraagd hyperactief aan de slag om eens even alle actualiteiten met een wat zwaardere ondertoon dan bij daglicht de revue te laten passeren. ’s Nachts is alles donkerder.

In de vroege ochtend loop ik over straat. Met onze harige huisvriend, ga ik de plantsoentjes af.  Als ik geen zin heb om te wachten op al zijn gesnuffel (geloof me: ik hèb geen zin om te wachten), sprint hij op zijn hardst om mij weer in te halen. We hebben het goed samen.