Nog niet zo lang geleden kocht Jennie een slow juicer, zo'n keukenmachine waar het sap van groenten en fruit op een langzame manier gescheiden wordt van de rest. Puur sap. Pulp is dan het afvalproduct. Mij eerste gedachte was: alweer zo'n keukenmachine die na een paar maanden achter in de kast verdwijnt.

Goedkeurend knik ik naar de bloemen op tafel, ik eet van mijn lunch en praat met enkele collega’s. “Die bloem is prachtig”, mompel ik. Als mijn mond leeg is, bestudeer ik het van dichtbij. Het is een pioenroos die nog in de knop zit. De tere bloemblaadjes zijn nog kogelvormig dichtgevouwen en worden stijlvol op hun plek gehouden door glanzend ijzerdraad. “Mooi en stijlvol!”, de knop is prachtig en blijft nog lang zo mooi omdat deze niet kan gaan bloeien door het ijzerdraad dat om de knop gewikkeld zit.

Na een aantal vruchteloze pogingen om samen met mijn oudste zoon een vis te vangen op een krib aan de Waal, beproefden we onlangs toch nog maar eens ons geluk vlakbij ons huis. Het was een zonnige voorjaarsmiddag, de weiden groen, het water blauw. Het zou nu toch wel heel erg leuk zijn voor mijn zoon om een vis te vangen dacht ik.

Ik zit in de trein. Bijna alle stoelen zijn bezet. Er hang een individuele stilte in de lucht. Mijn gedachten nemen me mee…

Ik ben, zoals dat heet, nogal onhandig. Een vervelende handicap met een scala aan uittingsvormen. Variërend van het onvermogen om een schilderijtje op te hangen tot het vermogen om zelfs in mijn eigen dorp de weg kwijt te raken. Ik noem maar twee uitersten.

Ze was het mooiste meisje van de klas, tien jaar jong. Ik gaf haar elke dag snoepjes. Wat wilde ik toch graag veel indruk op haar maken, liefst meer  dan de andere jongens. Het was in de vijfde klas van de lagere school, nu is dat groep zeven van de basisschool.

In mijn buik zit Onvrede. Een klein mager mannetje met wallen onder zijn ogen, vermoeidheid in zijn lijf en in zijn handen scherpe messen die hij van tijd tot tijd in mijn ingewanden zet.